1  [ een ]

Mensen
1  [ jedan ]

Osobe
 
 
ik
ja
ik en jij
ja i ti
wij beiden
mi oboje
 
 
hij
on
hij en zij
on i ona
zij beiden
oni oboje
 
 
de man
muškarac
de vrouw
žena
het kind
dijete
 
 
een gezin
obitelj
mijn gezin
moja obitelj
Mijn gezin is hier.
Moja obitelj je ovdje.
 
 
Ik ben hier.
Ja sam ovdje.
Jij bent hier.
Ti si ovdje.
Hij is hier en zij is hier.
On je ovdje i ona je ovdje.
 
 
Wij zijn hier.
Mi smo ovdje.
Jullie zijn hier.
Vi ste ovdje.
Zij zijn allemaal hier.
Oni su svi ovdje.
 
 
Downloads are FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only! See our LICENCE AGREEMENT.
© Copyright 2007-2008 Goethe-Verlag München und Lizenzgeber. All rights reserved. Alle Rechte vorbehalten.