TEST 9: Deutsch - Niederländisch

Zieh das Wort in die Lücke!
Bent - Houd - Wacht - beter - bijlage - bril - door - grond - opleveren - plaatse - repareren - selderij - telefoon - uitbrengen - verklaring -

1. Hör auf zu heulen / schreien / meckern! > op met huilen / schreeuwen / ruzie maken!
2. Lass mal sehen! > Laat eens kijken! / eens! / Even denken!
3. Ich möchte eine Aussage machen. > Ik wil graag een afleggen.
4. seine Stimme abgeben > zijn stem
5. Desto besser! > Des te !
6. Gewinn bringen > winst
7. Sie werden am Telefon verlangt > er is voor u
8. Planen Sie, hier dauernd zu leben? > u van plan hier permanent te wonen?
9. Blattsalat, Möhren, Tomaten, Gurke, Sellerie > Kropsla, worteltjes, tomaten, komkommer, .
10. Als Anlage senden wir Ihnen unseren neuesten Katalog. > Als zenden wij u onze nieuwste catalogus.
11. in Reparatur geben / reparieren lassen > in reparatie geven / laten
12. unter der Erde / unterirdisch > onder de / aarde
13. Er sieht mit seiner Brille intellektuell aus. > Hij ziet er intellectueel uit met zijn .
14. kreuz und quer > kriskras elkaar / schots en scheef
15. zur Stelle sein > ter zijn / present zijn / aanwezig zijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. Siehe LIZENZ-VEREINBARUNG
KOSTENLOS zum privaten Gebrauch, für öffentliche Schulen und für nicht-kommerzielle Zwecke.