TEST 40: Deutsch - Niederländisch

Zieh das Wort in die Lücke!
Goedenavond - Mijn - afspraak - dokter - examen - geen - haast - horloge - kan - met - mij - ruiken - school - slapen - uur -

1. nach einer Stunde > na een
2. Ball spielen > de bal spelen
3. Das sind nicht meine Sachen. > Deze spullen zijn niet van .
4. Ich hatte einen Termin beim Arzt. > Ik had een met de dokter.
5. Ich verstehe nicht, wie du so lange schlafen kannst. > Ik kan niet begrijpen, hoe je zo lang kunt .
6. Meine linke Hand blutet. > linkerhand bloedt.
7. die Uhr geht falsch > het loopt niet goed
8. sie kocht gut > ze goed koken
9. eine Schule besuchen > naar gaan
10. in Eile sein > hebben
11. Er ist durch seine Prüfung gefallen. > Hij is gezakt voor zijn .
12. es hilft nichts > het heeft zin / het wordt niets / het wordt niks
13. zum Arzt gehen > naar de gaan
14. gut riechen > goed
15. Guten Abend! > !

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. Siehe LIZENZ-VEREINBARUNG
KOSTENLOS zum privaten Gebrauch, für öffentliche Schulen und für nicht-kommerzielle Zwecke.