TEST 59: 日本語 - オランダ語
Drag the word to the blank!
Bedankt - beetje - belangrijk - dokter - douche - geen - geven - hotel - hou - lette - loopt - maken - rest - tafel - één -
1. 今は一時五分です。 >
Het is vijf minuten over
.
2. 夕食の準備ができました。 >
Aan
, alstublieft! / Het eten is klaar!
3. 少しのお金 >
een
geld / wat geld
4. 彼の試験 / 宿題をする >
z'n huiswerk
5. 彼は私の前を通り過ぎた >
hij liep langs mij heen / hij
niet op mij
6. 応募ありがとうございます。 >
Hartelijk dank /
voor uw sollicitatie.
7. 模範を示す >
een voorbeeld
8. 私の時計は合っている >
mijn horloge
goed
9. 私はシャワーが付いてる一人部屋を希望します。 >
Ik wil graag een eenpersoonskamer met
.
10. 私はワインを飲むのが好きだ >
ik drink graag wijn / ik
van wijn
11. 重要 >
12. (医者の)先生 >
/ doctor
13. おつりはとっといて。 >
U mag het wisselgeld houden. / De
mag u houden.
14. それは問題ない >
dat geeft niets / dat kan
kwaad
15. ホテルにエレベーターはありますか。 >
Is er een lift in het
?
Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our
LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!