TEST 26: 日本語 - オランダ語

Drag the word to the blank!
Hartelijk - Kersen - Kijk - beiden - bijzonders - daarom - dagen - gewoonlijk - insgelijks - kamer - kamer - nam - weg - zeventien - zorgen -

1. 両方のうちどちらでもない > geen van
2. 二日後にまた来てください。 > Komt u over twee terug!
3. 十三、十四、十五、十六、十七、十八. > Dertien, veertien, vijftien, zestien, , achttien.
4. 心配する > zich maken over / bezorgd zijn over
5. 特別ではない > niets
6. 私は出かけなければいけない > ik moet
7. 私はこれを忘れていたので、帰ってきました。 > Ik had dat vergeten, ben ik teruggekomen.
8. 私はホテルまでタクシーを使った > Ik een taxi naar mijn hotel.
9. 見て、あなたのためです。 > wat ik voor je heb!
10. 部屋はまだ空いていますか。 > Is er nog een vrij?
11. いつもどおり > zoals
12. こちらこそありがとうございます。 > Dank u, u ook! / Dank u, !
13. すいません、部屋が空いていません。 > Het spijt me, wij hebben geen vrij.
14. すべてにおいてありがとうございます。 > bedankt voor alles.
15. オレンジ、さくらんぼ、ラズベリー、いちご > Sinaasappels. . Frambozen. Aardbeien.

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!