TEST 12: 日本語 - オランダ語

Drag the word to the blank!
Een - begin - bril - geworden - houden - keer - kwart - men - middag - overnachten - voelen - vroeg - water - wordt - zijn -

1. 三日間休んでください。 > U moet drie dagen bed .
2. 今日の昼 > vanmiddag / tussen de
3. 今は三時十五分です。 > Het is over drie.
4. 十月の初め > oktober
5. 彼は大きくなった / 背が伸びた > hij is groot / hij is gegroeid
6. 気分がいい > zich goed
7. 私は明日朝早く出発します。 > Ik vertrek morgen .
8. お湯 > warm
9. この靴下は長すぎる / 短すぎる。 > De sokken te lang / kort.
10. ちょっとお待ちください。 > ogenblik, alstublieft!
11. どうなるか分からない > kan nooit weten
12. めがねをかける > een dragen
13. もう一度 /新しく > nogmaals / nog een
14. ノックしている > er geklopt
15. ホテルに泊まる > in het hotel

Copyright © 1997-2010 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!