TEST 6: magyar - holland

Drag the word to the blank!
bal - bent - genoeg - gunstige - hand - hou - kriskras - nemen - overal - protestantse - schoon - staat - uit - vergist - vlot -

1. védelmez > in bescherming
2. lépten - nyomon > bij iedere stap / waar men gaat en staat
3. téved > hier u zich
4. Ön következik. > u aan de beurt
5. hasznot húz vmiből / tőkét kovácsol vmiből > een slaatje slaan / beter worden van / profiteren van
6. kedvezõ alkalom > een gelegenheid
7. keresztül- kasul > door elkaar / schots en scheef
8. tetszik a lénye > zijn manier van doen staat mij aan / ik van zijn karakter
9. kezet emel > de opsteken
10. simán ment > het is verlopen
11. tiszta inget vesz fel > een overhemd aantrekken
12. elegem van belőle > ik heb er van
13. elkapja a labdát > de vangen
14. Hol a katolikus / evangélikus templom? > Waar is de katholieke / kerk?
15. Ott távolabb áll egy útjelző / egy tábla. > Verderop een wegwijzer / een bord.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!