TEST 3: magyar - holland

Drag the word to the blank!
Wat - brood - gaat - geen - geen - goed - heimelijk - hoge - leren - macht - procent - punt - staat - steken - verstand -

1. a józan ész > het gezonde
2. képtelen vmire > niet in zijn
3. 10 %-os engedményt tudunk Önnek ajánlani. > Wij kunnen u 10 korting geven.
4. Magas láza volt. > Zij had koorts.
5. hatalmon van > aan de zijn
6. éppen azon van / vmit szándékozik > op het staan om
7. semmiképpen > in geval
8. mesterséget tanul > een ambacht
9. egy szelet kenyér > een snee / een boterham
10. Mi van vele? > is er met hem aan de hand?
11. fogalma sincs > flauw idee
12. csendben / titokban > stiekem / / stilletjes
13. mulatni vkin vagy vmin > de draak met
14. az ablakhoz lép > hij loopt naar het raam / hij naar het raam
15. ez lehetséges > dat kan wel zo zijn / dat kan best / dat is heel mogelijk

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!