TEST 95: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Duitse - Gelukkig - Mag - bestelling - gelegenheid - gezegd - heeft - keus - kiespijn - liggen - raadplegen - slaan - uitoefenen - vestigen - één -

1. učinit volbu / zvolit > een maken / een keuze maken
2. Děkujeme za Vaši objednávku ze dne ... . > Wij danken u voor uw van ... .
3. německý výrobek / německá produkce > Duits produkt / makelij / gemaakt in Duitsland
4. Zůstaňe ležet! / Nevstávejte! > U moet blijven !
5. na stejné úrovni s > op gelijk niveau met / op lijn met
6. Naštěstí je možné mu věřit / důvěřovat. > kan je hem vertrouwen.
7. zatloukat hřebík do zdi > een spijker in de muur
8. To se lehce řekne! / To je snadno říct! > Makkelijk !
9. Co to má znamenat? > Wat dit te betekenen?
10. Co tvé bolesti zubů? > Hoe gaat het met je ?
11. podívat se / nahlédnout do telefonního seznamu > het telefoonboek / opzoeken in het telefoonboek
12. upozornit na > de aandacht op
13. propást příležitost > de kans / de voorbij laten gaan
14. Dva hamburgry se sýrem, prosím. > ik twee cheeseburgers?
15. vykonávat povolání > een beroep

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!