TEST 92: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Kop - Onzin - Wilt - aanzetten - bibberen - bord - doen - gezicht - grove - huid - tramkaartje - tranen - twee - veel - vervolgd -

1. vést domácnost > het huishouden
2. mít světlou pleť > een blanke hebben
3. Zabalte to, prosím. > Kunt u het inpakken? / u het alstublieft inpakken?
4. nastartovat (motor) > de motor
5. se slzami v očích > met in de ogen
6. Nesmysl! > !
7. chvět / třást se zimou > van de kou
8. Hlavu vzhůru! / Jen odvahu! > op!
9. znát od vidění > van kennen
10. pokračování příště > wordt
11. hrubá / sprostá slova > woorden / scheldwoorden
12. trvat mu dlouho, než / potřebovat spoustu času na > tijd besteden aan
13. psát na tabuli > op het schrijven
14. dvoupatrový dům > een huis met verdiepingen
15. označit si jízdenku > een / treinkaartje kopen / nemen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!