TEST 73: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Mijn - allerhaast - buurt - doen - hemel - heten - horen - koffer - onderhouden - spreken - strijken - ver - vernemen - verzaken - willen -

1. s tím se nedá nic dělat / na tom se nedá nic změnit > daar is niets aan te
2. V tomto kufru jsou (uloženy) pouze osobní věci. > In deze zitten alleen persoonlijke bezittingen.
3. živit rodinu > de familie
4. dát o sobě vědět > van zich laten
5. být vítán > welkom
6. Ke komu jdete? > Wie wilt u ? / Wie wilt u zien?
7. ve spěchu > in allerijl / in
8. nedodržet svou povinnost / nedostát svým povinnostem > zijn plicht
9. Nemohu nastartovat auto. > auto start niet.
10. Blízko odsud je hlídané parkoviště. > Er is een bewaakte parkeerplaats hier in de .
11. dozvědět se novin(k)u > een nieuwtje horen / een nieuwtje
12. Propána! / Proboha! > Goeie ! / Om 's hemelswil!
13. Vyžehlete, prosím, tyto věci. > Zoudt u deze kleren voor mij strijken?
14. Vyžehlete, prosím, tyto věci. > Zoudt u deze kleren voor mij willen ?
15. vzdálen od domova > van huis

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!