TEST 69: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Gaat - allergisch - bent - erg - fiets - hadden - huishouden - katholiek - maken - moeten - neerleggen - nog - reken - schots - verschilt -

1. Měli jsme oddělení / kupé sami pro sebe. > Wij de coupé voor ons alleen.
2. křížem krážem > kriskras door elkaar / en scheef
3. Máte ještě místo pro dva stany? > Is er plaats voor twee tenten?
4. vede mu domácnost > zij doet het voor hem
5. sednout na kolo > op de stappen
6. velmi se změnil > hij is veranderd
7. Nenechte se rušit! > u maar gewoon door!
8. Teploty se mění od místa k místu. > De temperatuur van plaats tot plaats.
9. počítám s tebou > ik op jou
10. položit sluchátko > de hoorn / erop leggen
11. Jsi katolík nebo protestant? > Ben je of protestant?
12. Jste na řadě. > u aan de beurt
13. Jste na něco alergický? / Trpíte nějakou alergií? > Bent u ? / Hebt u last van allergie?
14. střílet branku / gól > een doelpunt
15. Musíme šetřit elektřinou. > Wij stroom besparen.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!