TEST 68: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
aan - aansteken - brief - gekookte - geïnteresseerd - iemands - komen - kritiek - lijn - naar - nemen - ontvangen - rechtsaf - volgende - zijn -

1. přijít k věci > ter zake
2. Máte vařenou zeleninu? > Hebt u groente?
3. Na příští odbočce musíte sjet z dálnice. > U moet de snelweg bij de afrit verlaten.
4. na stejné úrovni s > op gelijk niveau met / op één met
5. Za třetím semaforem odbočte do prava. > Na het derde stoplicht .
6. zapálit / rozsvítit světlo > een kaars
7. Nech to na mne! / Poradím si sám! > Laat dat maar mij over!
8. nemám o to zájem > daar ben ik niet in
9. zkazit někomu radost > plezier bederven
10. Dnes jsme dostali / obdrželi Vaši zásilku. > Wij hebben vandaag uw zending .
11. hodit kamenem po > een steen gooien
12. Pojistky vyhořely. > De zekeringen doorgebrand.
13. dokončit / uzavřít dopis > de beëindigen
14. splést si cestu > de verkeerde weg / zich in de weg vergissen
15. kritizovat > uitoefenen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!