TEST 62: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
begaan - eigen - eind - godsnaam - hebt - kans - overgebleven - plaatse - slaapwagon - uiterlijk - vaak - verhouding - verlaten - wal - woord -

1. jít na pevninu > aan land gaan / aan gaan
2. být přítomen > ter zijn / present zijn / aanwezig zijn
3. Jakou máte krevní skupinu? > Welke bloedgroep u?
4. udělat hloupost > een blunder
5. udělat konec s / skončit s > een maken aan
6. Je tu spací vůz? / Je to souprava se spacím vozem? > Is er een ?
7. ve vztahu k / v poměru k > in tot
8. Nesuď (nikoho) podle zevnějšku. > Beoordeel mensen niet op hun .
9. chopit se příležitosti > de grijpen
10. chopit se slova > het nemen
11. nic nezůstalo / nezbylo > er is niets
12. Postele nebyly často převlékány. > De bedden werden niet genoeg verschoond.
13. spolehnout se na > zich op
14. Proboha! > In !
15. starej se o sebe > bemoei je met je zaken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!