TEST 60: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
batterij - behalve - beklagen - daar - handel - kan - mensen - moet - nagel - opvolgen - passeren - roereieren - thuis - wel - zaal -

1. v jeho čtyřech zdech > binnen zijn vier muren /
2. o to se postarám já > daar zorg ik voor / daar zorg ik voor
3. řekněte mi, kde mám vystoupit. > Wilt u mij zeggen wanneer ik uitstappen?
4. dělat obchody / obchodovat > zaken doen / drijven
5. sál / místnost pojme devadesát osob > er is ruimte voor negentig mensen in de
6. Baterie se nedobíjí. > De is niet zelfoplaadbaar.
7. cena zahrnuje vše kromě benzínu > alles inbegrepen, de benzine
8. Nesuď (nikoho) podle zevnějšku. > Beoordeel niet op hun uiterlijk.
9. ohnutý hřebík > een kromme / een kromme spijker
10. Chtěl bych dvě míchaná vejce. > Ik wil graag twee .
11. umí si pomoci > hij voor zichzelf zorgen / hij weet raad
12. Co tím myslíte? / Co tím chcete říci? > Wat bedoelt u mee?
13. poslechnu jeho radu > ik zal zijn raad
14. (pře)jít okolo > voorbijgaan aan /
15. stěžovat si na > zich over

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!