TEST 55: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
aanbieden - bedrag - coupé - gas - katholieke - nieuws - pak - profiteren - stappen - tot - uit - vals - voor - zomer - zullen -

1. přidat plyn > geven
2. Zásilka zboží bude poslána vlakem. > De goederen per trein vervoerd worden.
3. Naše oddělení bylo na konci vlaku. > Onze was aan het eind van de trein.
4. nabídnout na prodej > te koop
5. zavázat se k / mít povinnost ... > zich verplichten
6. obléknout si oblek > je aantrekken
7. Kde je katolický / evangelický kostel? > Waar is de / protestantse kerk?
8. Je možné parkovat před hotelem / u hotelu? > Is er parkeergelegenheid het hotel?
9. sednout na kolo > op de fiets
10. Ledové nápoje mám rád jen v létě. > Ik hou alleen in de van ijskoude drankjes.
11. celá suma / částka > het volledige
12. dobrá zpráva > goed
13. zpívat falešně > zingen
14. pro mne za mne / to je mi jedno > voor mijn part / dat maakt mij niets
15. využít ... (gen.) / zužitkovat ... (akk.) > een slaatje slaan uit / beter worden van / van

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!