TEST 54: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
afspraak - danken - ernstig - eruit - goede - horloge - iets - opgelicht - parkeergelegenheid - schieten - tand - verloren - voorbaat - werken - zeer -

1. Děkujeme za Vaši objednávku ze dne ... . > Wij u voor uw bestelling van ... .
2. předem > vooruit / vooraf / bij
3. být zadobře s > op voet staan met
4. Taxíkář mne okradl / podvedl. > De taxichauffeur heeft me .
5. Je možné parkovat před hotelem / u hotelu? > Is er voor het hotel?
6. nechat si vytrhnout zub > een laten trekken
7. Nikdo není vážně zraněn. > Niemand is gewond.
8. to se mu podobá > dat is echt voor hem
9. Počítáme s osmidenní dodací lhůtou. > Wij met een levertijd van acht dagen.
10. hodin(k)y se zastavily > het staat stil
11. Bolí Vás hlava? > Doet uw hoofd ?
12. domluvit schůzku s > een maken met
13. spěchat na pomoc > te hulp / te hulp snellen
14. Ztratil jsem kontaktní čočky. > Ik ben mijn contactlenzen kwijt / .
15. vypadá to na déšť > het ziet , of we regen krijgen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!