TEST 51: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
berekening - best - dag - doceren - eten - grove - hoge - hou - keus - met - over - sluiten - staat - strand - verliezen -

1. dělá, co může / dělá, co je v jeho silách > hij doet zijn
2. Mám problémy s polykáním a dýcháním. > Ik heb problemen slikken en ademhalen.
3. líbí se mi jeho způsoby / charakter > zijn manier van doen staat mij aan / ik van zijn karakter
4. jíst z talíře > van een bord
5. na každém kroku > bij iedere stap / overal waar men gaat en
6. Sbírali jsme mušle na pláži. > Wij hebben schelpen verzameld op het .
7. ve velké míře > in mate
8. velká / závažná chyba > een fout / een ernstige fout
9. nemám na vybranou > ik heb geen
10. Tento obchod má otevřeno po celý den / je non stop otev > De winkel is de hele open.
11. Nesouhlasíme s Vaším výpočtem. > Wij zijn het niet eens met uw .
12. to přejde > dat gaat / dat gaat voorbij
13. ztratit trpělivost > het geduld
14. vyučovat řeči > talen onderwijzen / talen
15. uzavřít přátelství s > vriendschap met

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!