TEST 49: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
blijft - bovenaan - contact - geen - heeft - mensen - mogelijk - nodig - opzetten - slok - toestemming - uittrekken - vrolijke - winkel - zich -

1. žádat o povolení / o dovolení > om vragen
2. Můj dědeček bojoval ve válce. > Mijn grootvader in de oorlog gevochten.
3. zůstat ve spojení s > in blijven met
4. sál / místnost pojme devadesát osob > er is ruimte voor negentig in de zaal
5. Jak dlouho zde / v této zemi zůstanete? > Hoe lang u in dit land?
6. Je možné si objednat vegetariánské jídlo? > Is het om vegetarische maaltijden te krijgen?
7. nemít ponětí / potuchu > flauw idee
8. Tento obchod má otevřeno po celý den / je non stop otev > De is de hele dag open.
9. loknout si > een nemen
10. potěšující událost > een gebeurtenis
11. Potřebuji nafukovací matraci. > Ik heb een luchtbed .
12. stát v čele > op de eerste plaats staan / staan
13. kulit / valit oči > grote ogen
14. Musíte se nechat očkovat. > U moet laten inenten.
15. svléknout si košili > het overhemd

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!