TEST 48: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
aansteken - bescherming - beste - deel - hangt - hoofdpijn - klas - koken - opnemen - snelweg - ter - twisten - verbonden - wuiven - zwijgen -

1. Z toho hluku / rámusu mě bolí hlava. > Ik krijg van het lawaai.
2. o tom by se dalo diskutovat > daar valt over te
3. z velké části > grotendeels / voor een groot
4. mávat kapesníkem > met een zakdoek
5. na místě > plaatse
6. Na příští odbočce musíte sjet z dálnice. > U moet de bij de volgende afrit verlaten.
7. Jak se tam nejlépe dostanu? > Wat is de weg om daar te komen?
8. zapálit zápalku / sirku > een lucifer
9. ochraňvat / vzít pod svou ochranu > in nemen
10. Je zde možnost vaření? / Je možné si sám vařit? > Is het mogelijk om zelf te ?
11. visí na své matce > zij erg aan haar moeder
12. točit film > een film
13. pomlčíme-li o tom, že > om maar te van
14. Promiňe, to je špatné číslo. > Pardon, verkeerd !
15. první ze třídy > de beste van de

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!