TEST 42: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
angst - echt - genoeg - gerepareerd - hand - melk - rekening - schulden - sluiten - van - voeren - voor - vraagstuk - zal - zorgen -

1. řešit úlohu > een opgave oplossen / een oplossen
2. dělat dluhy / zadlužit se > maken
3. Připravte mi, prosím, účet. > Wilt u de opmaken alstublieft?
4. mám toho dost > ik ben het zat / ik heb er van
5. vést válku proti > oorlog tegen
6. Tímto potvrzuji přijetí Vaší dodávky. > Hierbij bevestig ik de ontvangst uw leverantie.
7. obejmout > omarmen / in de armen
8. Obstarej mi tlumočníka pro španělštinu a holandštinu. > Zorg een vertaler Spaans-Nederlands.
9. Udělá, co bude v jeho silách. > Hij zijn uiterste best doen.
10. ze strachu před > uit vrees voor / uit voor
11. Elektrikář / Opravář opravil pojistky. > De elektricien heeft de zekering .
12. umí si pomoci > hij kan voor zichzelf / hij weet raad
13. to mléko je kyselé > de is zuur
14. Co s ním je? / Co se s ním děje? > Wat is er met hem aan de ?
15. to se mu podobá > dat is iets voor hem

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!