TEST 41: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Ophouden - doen - geschapen - kijk - manier - mijn - overgaan - pijn - schuldig - tekenen - verbinding - verlies - vertellen - wel - worden -

1. čím mohu sloužit? > Wat kan ik voor u ? / Waarmee kan ik u van dienst zijn?
2. těžká ztráta > een zwaar
3. překročit hranici > de grens overtrekken / overschrijden /
4. Můžete mi poradit, kde se nachází konzulát? > Kunt u mij , waar het consulaat is?
5. být ve spojení s > in staan met
6. padnout za oběť > ten prooi vallen / het slachtoffer
7. Tak dost! / Konec! / Přestaňs tím! > daarmee!
8. Zde je můj pas. > Hier is paspoort.
9. jeho způsobem / na jeho způsob > op zijn
10. silné bolesti > hevige
11. to je docela dobře možné / může být > dat kan zo zijn / dat kan best / dat is heel goed mogelijk
12. Co jsem dlužen? > Hoeveel ben ik u ?
13. podívej se do zrcadla > in de spiegel
14. podepsat se svým jménem > / ondertekenen
15. vytvořil mistrovské dílo > hij heeft een meesterwerk

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!