TEST 30: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
achterna - alles - betalen - beurt - bijdrage - brengen - helemaal - het - kerel - keuze - overschrijden - plan - steen - tevergeefs - waar -

1. z kamene > van
2. učinit volbu / zvolit > een keus maken / een maken
3. překročit hranici > de grens overtrekken / / overgaan
4. přesně podle mého / po mém > in mijn geest
5. všechno má své meze > heeft zijn grenzen
6. Mám zaplatit u pokladny? > Moet ik bij de kassa ?
7. Kdo to zavinil? / čí je to vina? > Wiens schuld is ?
8. hledat zbytečně > zoeken
9. to by mohlo souhlasit > dat kan wel zijn
10. Kolik činí poplatek za jednu osobu? > Wat is de per persoon?
11. komický člověk > een gekke vent / een gekke
12. doprovodit někoho domů > iemand thuis
13. rovnou za nosem > je neus steeds maar / steeds maar rechtuit
14. provádět plán > een uitvoeren
15. Jste na řadě. > u bent aan de

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!