TEST 25: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Heeft - baantje - bestelling - een - genoeg - harte - huid - jagen - meesterwerk - moeilijk - ogen - opentrekken - oplopen - stukken - wachten -

1. z celého srdce > van ganser / met heel mijn hart
2. mám toho dost > ik heb er van
3. jít na lov / na hon > op jacht gaan / gaan
4. mít tmavou pleť > een donkere hebben
5. (Ne)máte oheň / Můžete mi připálit, prosím? > u een vuurtje?
6. se slzami v očích > met tranen in de
7. je to pro mne těžké > het valt me / het valt me tegen
8. Tento obraz je mistrovský kousek. > Het schilderij is een .
9. chytit nemoc > een ziekte
10. Dne ... jsem Vám zadal objednávku. > Op ... heb ik een bij u gedaan.
11. dostat místo > een baan krijgen / een krijgen
12. rozstříhat na kousky > in snijden
13. roztáhnout záclonu > het gordijn / het gordijn opendoen
14. vyčkat znamení / signálu > op een teken
15. Vzorek najdete v příloze. > Bijgesloten treft u voorbeeld aan.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!