TEST 23: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Wat - aanwezig - band - bieden - innemen - kan - strijkbout - studeren - treinkaartje - verdiepingen - vergoeden - voertuig - volledige - voorgerechten - zijn -

1. dům má tři patra / je třípatrový > het huis is drie hoog
2. Mám prasklou duši / pneumatiku. > Ik heb bandepech. / Ik heb een lekke .
3. být přítomen > ter plaatse zijn / present zijn / zijn
4. Naštěstí je možné mu věřit / důvěřovat. > Gelukkig je hem vertrouwen.
5. napravit škodu > de schade / de schade herstellen
6. zaujmout ... stanovisko / být toho názoru, že ... > het standpunt van
7. Nechal jsi zapnutou žehličku. > Jij hebt de / het strijkijzer aan laten staan.
8. Jeho intelektuální schopnosti jsou skvělé. > Zijn intellectuele capaciteiten geweldig.
9. celá suma / částka > het bedrag
10. Co Vám chybí? > scheelt u?
11. Pro začátek bych si dal (míchaný) předkrm. > Als voorafje wil ik graag verschillende .
12. Jsme ochotni / schopni Vám nabídnout ... . > Wij zijn in de positie om u ... aan te .
13. studovat historii / dějiny > geschiedenis
14. Auto / vozidlo je poškozené. > Het is beschadigd.
15. označit si jízdenku > een tramkaartje / kopen / nemen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!