TEST 20: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
bezittingen - gevraagd - gewoon - gezegd - graag - hier - injectie - maken - nat - oud - realiseren - scheppen - smaken - strijkijzer - vervelen -

1. V tomto kufru jsou (uloženy) pouze osobní věci. > In deze koffer zitten alleen persoonlijke .
2. přijmeme prodavačku > verkoopster
3. Dám Vám injekci. > Ik geef u een .
4. jít na vzduch > een luchtje
5. být promoklý na kost > door en door
6. Na Silvestra jsme měli / si udělali večírek / párty. > Wij hadden een feest met en nieuw.
7. udělat konec s / skončit s > een eind aan
8. Odplouvá odsud trajekt? > Vertrekt de veerboot ?
9. jedním slovem / zkrátka a dobře > kort en goed / kort
10. Nenechte se rušit! > Gaat u maar door!
11. chutnat hořce > bitter
12. Pro začátek bych si dal (míchaný) předkrm. > Als voorafje wil ik verschillende voorgerechten.
13. uskutečňvat > iets waarmaken / iets
14. Buď opatrný, (ta) žehlička je zapnutá. > Het is aan, wees voorzichtig.
15. nudit se k smrti / smrtelně se nudit > zich dood

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!