TEST 11: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
armen - doorgebrand - dringend - erge - gemiddeld - grote - heel - hemel - hoed - slechte - vrucht - zenden - zich - zieke - zijn -

1. z celého srdce / s potěšením > graag
2. V příloze Vám zasíláme náš nový katalog. > Als bijlage wij u onze nieuwste catalogus.
3. v průměru > / in doorsnee
4. s velkou námahou > met moeite
5. něco proti silné bolesti zubů > iets tegen kiespijn
6. představit si něco > iets voorstellen
7. nést ovoce > vruchten afwerpen / dragen
8. (Na nebi) je duha! > Er staat een regenboog aan de !
9. nasadit si klobouk > je opzetten
10. obejmout > omarmen / in de sluiten
11. Pojistky vyhořely. > De zekeringen zijn .
12. Poslechni jeho radu! > Volg raad op!
13. (ta) věc je naléhavá > het is een urgent geval / het is
14. vyšetřit nemocného > een onderzoeken
15. vzít / mít špatný konec > een afloop hebben

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!