TEST 6: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Verder - bij - bijwonen - familie - gaan - hoge - klas - moeite - ontvangen - ter - toekeren - twijfel - uitzenden - veranderen - willen -

1. živit rodinu > de onderhouden
2. Měla vysokou teplotu / horečku. > Zij had koorts.
3. při setmění > het invallen van de duisternis
4. Rádi bychom Vás upozornili na ... . > Wij u graag op ... attent maken.
5. být dobrý chodec > goed been zijn
6. namáhat se s / mít práci s > hebben met
7. navštívit shromáždění > een vergadering
8. Obdrželi jsme Váš dopis. > Wij hebben uw brief .
9. Co je ještě nového? > Wat is er verder nog voor nieuws? / nog nieuws?
10. to se musí změnit > dat moet anders / dat moet
11. zpochybňvat > in trekken
12. první třídy > eerste
13. otočit se k někomu zády > iemand de rug
14. pustit se do práce > aan het werk
15. vysílat program > een programma

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!