TEST 4: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Denk - adem - brengen - feest - feest - goed - graden - kant - lijken - medelijden - moeite - ooit - plaats - wil - zich -

1. Přineste mi, prosím, nápojový lístek. > Kunt u mij de wijnkaart ?
2. mít soucit s > hebben met
3. Na Silvestra jsme měli / si udělali večírek / párty. > Wij hadden een met oud en nieuw.
4. Na Silvestra uspořádali večírek / párty. > Zij hebben met oud en nieuw een georganiseerd.
5. namísto / na ... místě > in van
6. Je plus patnáct (stupň). > Het is vijftien boven nul.
7. bez dechu > buiten
8. Chtěl bych kávu bez kofeinu. > Ik graag een cafeïnevrije koffie.
9. Viděl to kdy někdo? / Viděl jsi někdy něco takového? > Heb je zoiets gezien?
10. to není jeho silná stránka > dat is niet zijn sterkste
11. podobat se > op
12. Pozor, schod! > om het afstapje!
13. Brzdy nebrzdí. / Brzdy špatně brzdí. > De remmen doen het niet goed. / De remmen werken niet .
14. stanovit si cíl > een doel stellen
15. vynaložit mnoho námahy na > veel besteden aan

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!