TEST 94: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Heeft - aankomen - eens - gaan - insgelijks - jas - kamer - maar - mijn - nogmaals - ontvangen - trap - vraag - wil - zaak -

1. v pravou chvíli > op tijd
2. Děkuji, nápodobně! > Dank u, u ook! / Dank u, !
3. Máme jít do zoologické zahrady / do zoo nebo do muzea? > Zullen wij naar de dierentuin of naar het museum ?
4. jdu po schodech dolů > ik ga naar beneden / ik ga de af
5. ještě jednou / znovu > / nog een keer
6. nejen ..., nýbrž také > niet alleen ..., ook
7. Nemohu pohnout pravou rukou. > Ik kan rechterarm niet bewegen.
8. Chtěl bych polopenzi. > Ik graag halfpension.
9. to je jiná otázka > dat is een andere
10. to není tvoje věc > dat gaat je niks aan / dat is jouw niet
11. Mohl bych vidět ten pokoj? > Mag ik de zien?
12. nosit plášť > een dragen
13. dostat dopis > een brief
14. jsem stejného názoru / mínění (jako vy) > ik ben het met u
15. Jste veden u zdravotní pojišťovny? > u een ziektekostenverzekering?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!