TEST 91: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Neemt - bij - een - enzovoort - geld - haar - keer - kopje - liever - onderscheid - oude - slecht - twee - verzamelen - vlijtig -

1. a tak dále >
2. Můžete mi přinést trochu citronu? > Kunt u mij schijfje citroen brengen?
3. můj starý učitel > mijn leraar
4. Má světlé / blond vlasy. > Zij heeft blond .
5. párkrát / několikrát > een paar / een paar maal / enkele malen
6. pít z šálku / z hrnku > uit het drinken
7. sbírat známky > postzegels
8. velký rozdíl > een groot verschil / een groot
9. celkem dobře / ne špatně > heel goed / tamelijk goed / niet
10. Nemám dost peněz na hotovosti. > Ik heb niet genoeg contant .
11. chtít raději > willen
12. pilně pracovat > werken
13. omylem / > vergissing
14. Posaďte se! > u plaats! / Gaat u zitten!
15. Prosil bych dvě známky na pohled. > Ik wil graag postzegels voor ansichtkaarten.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!