TEST 85: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Waar - bellen - gegroeid - geleden - geloof - grootvader - heren - naar - nodig - poosje - praten - tijd - toegedaan - twee - zon -

1. před pár / několika dny > een paar dagen
2. Zůstaňještě (chvíli), prosím! > Blijf nog een ! / Blijf nog even!
3. Dámy a pánové! > Dames en !
4. Mému dědečkovi je devadesát (let). > Mijn is negentig.
5. Kde je záchod / toaleta? > is de WC? / het toilet?
6. nevěřím z toho ani slovo > ik er geen woord van
7. slunce zapadá > de gaat onder
8. mluvit / hovořit s někým > met iemand
9. Dnes jdu na trh. > Vandaag ga ik de markt.
10. po chvíli > na een / na een poosje
11. potřebuje peníze > hij heeft geld
12. jsem jiného názoru / mám na to jiný názor > ik ben een andere mening / ik heb een andere mening
13. Jsme 2 dospělí a 4 děti. > Wij zijn met volwassenen en vier kinderen.
14. vyrostl > hij is groot geworden / hij is
15. (za)volat policii > de politie

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!