TEST 75: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
achttien - doet - hele - kwitantie - lette - mensen - museum - opeens - schoenen - spreken - tegen - vanmorgen - verdieping - werken - zich -

1. V dolním patře. > Op de onderste .
2. připravit se / být hotov > gereed maken
3. Můžete mi dát účtenku, prosím? > Mag ik een ?
4. Máme jít do zoologické zahrady / do zoo nebo do muzea? > Zullen wij naar de dierentuin of naar het gaan?
5. najednou > / plotseling
6. je jí osmnáct (let) > ze is jaar oud
7. je k vám milý > hij is aardig hen / hij is aardig voor hen
8. celý svět > de wereld
9. mluvit nahlas / hlasitě > hard / hard praten
10. dnes ráno / dopoledne > vanochtend /
11. pozdravujte ho ode mne > u hem de groeten van mij
12. prošel okolo mne > hij liep langs mij heen / hij niet op mij
13. Prosím vyčistit boty! > Kunt u mijn poetsen?
14. staří lidé > de oude
15. musí se pracovat / dělat > men moet

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!