TEST 70: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
bent - gebeurt - iets - jast - mijn - mooi - morgenmiddag - postzegels - proeven - spreken - toespraak - vis - vraag - wanneer - weg -

1. mám jet zítra > ik moet morgen
2. zítra v poledne >
3. ochutnat víno > de wijn
4. Od kdy? / Jak dlouho? > Sinds ?
5. Kde jste se narodil? > Waar u geboren?
6. Kde mohu koupit dopisní známky? > Waar kan ik kopen?
7. je pěkné počasí > het is weer / het is lekker weer
8. ten plášť / kabát mi sedne / padne > de jas past me / de past
9. Vezměte, prosím, má zavazadla. > Wilt u bagage aannemen?
10. Chtěl bych raději něco většího. > Ik wil graag groters.
11. chytat ryby > vangen
12. mluvit o něčem > over iets praten / over iets
13. zodpovědět otázku > een beantwoorden
14. pronášet řeč o / řečnit o > een rede houden over / een houden over
15. stává se, že > het wel eens dat / het komt wel eens voor dat

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!