TEST 69: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Duits - Rechts - Schiet - Wilt - aansteken - alstublieft - bus - fietsen - gaan - iets - kan - maal - velen - wat - witte -

1. učím se německy > ik leer
2. něco nesouhlasí / nesedí > er klopt niet
3. párkrát / několikrát > een paar keer / een paar / enkele malen
4. tak mnoho > zo
5. zapálit / rozdělat oheň > het vuur / een vuur aanmaken
6. Kde si můžu vzít taxi? > Waar ik een taxi krijgen?
7. Jeďte vpravo ! / Jeďte po pravé straně! > rijden!
8. jet autobusem > de nemen
9. jet na kole >
10. Vezměte, prosím, má zavazadla. > u mijn bagage aannemen?
11. Chtěl bych čerstvé ovoce. > Ik wil graag vers fruit.
12. Chtěl bych suché bílé víno. > Ik wil graag een droge wijn.
13. Mluvte zde! > Hier inspreken !
14. Pojedeme do Říma nebo do Paříže? > Zullen we naar Rome of naar Parijs ?
15. Rychle! / Pospěšte si! > Snel! / op! / Haast u!

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!