TEST 68: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Zullen - boven - eerste - gebraden - geen - gehoord - half - horloge - inspreken - knippen - komt - men - morgen - roken - voelen -

1. půl roku > een jaar
2. cítit se dobře > zich goed
3. Zítra tě navštívíme. > Wij zullen je bezoeken.
4. zaprvé / na prvním místě / v prvé řadě > in de plaats
5. jdu po schodech nahoru > ik ga naar / ik ga de trap op
6. nechat si ostříhat vlasy > je haren laten
7. Chtěl bych / dal bych si pečeni s bramborem. > Ik wil graag vlees met aardappelen.
8. Mluvte zde! > Hier alstublieft!
9. slyšel jsem, že > ik heb , dat
10. to nepomůže > het heeft zin / het wordt niets / het wordt niks
11. to se mi hodí > dat me goed uit
12. moje hodinky se předcházejí > mijn loopt voor
13. Pojedeme do Říma nebo do Paříže? > we naar Rome of naar Parijs gaan?
14. kouřit dýmku > pijp
15. musí se pracovat / dělat > moet werken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!