TEST 67: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Duits - Gaan - Hier - Hoeveel - beginnen - begrepen - dokter - groot - heen - huiswerk - lezen - rekening - snelweg - stuk - vriendelijk -

1. číst nahlas > hardop
2. dělat domácí úkoly / psát domácí úlohy > z'n maken
3. jít k lékaři / k doktorovi > naar de gaan
4. začít / zapříst rozhovor > een gesprek
5. Jak se dostanu na dálnici? > Hoe kom ik op de ?
6. Pane vrchní, účet, prosím! > Ober, de alstublieft!
7. sem a tam > en weer / over en weer
8. Chtěl bych malé / velké pivo. > Ik wil graag een kleintje pils / een glas bier.
9. Mluvte zde! > inspreken alstublieft!
10. to je jasné > dat is duidelijk /
11. to je od Vás velmi milé > dat is erg van u / dat is erg aardig van u
12. Pojedeme vlakem nebo autem? > wij met de trein of met de auto?
13. Kolik stojí známka (na dopis) do ...? > kost een postzegel naar ... ?
14. kousek / krajíček chleba > een brood
15. rozumí německy > hij verstaat

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!