TEST 63: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Een - achteren - daarmee - doen - drinken - gaan - geschiedenis - halfpension - heden - linkerhand - praten - ring - ten - verkeerd - week -

1. špatně (po)rozumět > begrijpen
2. německá historie / dějiny Německa > de Duitse
3. Má levá ruka krvácí. > Mijn bloedt.
4. pít ze sklenice > uit een glas
5. na sever od / severně od > noorden van
6. Nemohli jsme jít ven, protože pršelo. > Het regende, daarom konden wij niet naar buiten .
7. Chtěl bych polopenzi. > Ik wil graag .
8. mluvit o něčem > over iets / over iets spreken
9. Co mám dělat? > Wat moet ik ?
10. Co tím chcete říci? > Wat wilt u zeggen?
11. dodnes / dodneška > tot op
12. nosit prsten > een dragen
13. dozadu > naar
14. (po) celý týden > de hele lang
15. Stůl pro ... osob, prosím. > tafel voor ... personen graag.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!