TEST 54: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Duitse - Kan - alleen - bad - groot - het - kerstmis - kost - naar - overnachten - parkeren - poetsen - water - weinig - woorden -

1. čistit si zuby > zijn tanden
2. přenocovat / přespat v hotelu > in het hotel
3. Zítra půjdu do kina. / Zítra půjdu na ten film. > Morgen ga ik de film.
4. na vánoce > met
5. zcela sám > helemaal
6. Kde mohu (za)parkovat? > Waar kan ik ?
7. Je německé národnosti. > Hij heeft de nationaliteit.
8. se studenou vodou > met koud
9. jinými slovy > met andere
10. to stojí moc / spoustu peněz > dat veel geld
11. Mohu Vám (nějak) pomoci? > ik u helpen?
12. koupat se / dát si koupel > een nemen
13. Rozumí velmi málo anglicky. > Zij verstaat heel Engels.
14. Jsi to ty? > Ben jij ?
15. vyrostl > hij is geworden / hij is gegroeid

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!