TEST 53: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Waar - anders - bladzijde - gaat - heeft - linkeroog - loopt - maal - schulden - toch - verkeerde - vertrek - wanneer - weg - zetten -

1. něco jiného > iets
2. přesto to (u)dělám > ik doe het
3. tři krát tři je devět > drie drie is negen / drie keer drie is negen
4. vařit kávu > koffie
5. Kde mohu koupit dopisní známky? > kan ik postzegels kopen?
6. Nevidí na levé oko. > Hij is blind aan zijn .
7. Vjel jste do nesprávné / špatné ulice. > U bent de straat in gereden.
8. platit své dluhy > zijn betalen
9. Do kdy? > Tot wanneer? / Voor ?
10. to není tvoje věc > dat je niks aan / dat is jouw zaak niet
11. moje hodinky se zpožďují > mijn horloge achter
12. potřebuje peníze > hij geld nodig
13. jsme na straně 5 > wij zijn op pagina vijf / wij zijn op vijf
14. musím jít pryč / musím odejít > ik moet
15. Vyjíždím zítra brzy ráno. > Ik morgen vroeg.

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!