TEST 52: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Voor - aan - afgelopen - doen - eigen - gaat - honderden - kinderen - koud - maal - moet - smaakt - verteld - vrij - zwemmen -

1. Máte volný pokoj? / Je nějaký pokoj volný > Is er een kamer ?
2. jít plavat > gaan
3. mít vlastní auto > een auto / wagen hebben
4. začíná být zima / chladno / ochlazuje se > het wordt
5. nemohu za to > ik kan er niets aan
6. Nevidí na levé oko. > Hij is blind zijn linkeroog.
7. chutná to sladce / má to sladkou chuť > het zoet
8. minulý rok / loni > jaar / vorig jaar
9. Do kdy? > Tot wanneer? / wanneer?
10. to nejde > dat niet
11. Jsme 2 dospělí a 4 děti. > Wij zijn met twee volwassenen en vier .
12. stovky >
13. Musíte obrátit / se otočit. > U omkeren.
14. dvakrát tolik > twee keer zo veel / twee zo veel
15. bylo mi řečeno > mij is

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!