TEST 51: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
drie - eens - gemist - hele - komen - kookt - kwalijk - morgen - taart - tafel - tot - tot - vier - worden - zwaar -

1. řekni mu, aby přišel > zeg hem dat hij moet
2. těžká práce > werk
3. péci koláč > een bakken / een cake bakken
4. Zítra nashledanou! > Tot !
5. (Nejpozději) za tři měsíce musíte opět vycestovat. > In maanden moet u het land weer verlaten.
6. Nashledanou, uvidíme se později! > Dag, later!
7. ze dne na den > van dag dag / met de dag
8. Je tento stůl volný? > Is deze vrij?
9. celou dobu / po celý čas > de tijd
10. zmeškal jsem vlak > ik heb de trein
11. onemocnět > ziek
12. voda se vaří > het water
13. Poslouchejte! > Luistert u eens! / Nu moet u luisteren
14. Promiňe! / Pardon! > Pardon! Neem me niet .
15. jsou čtyři hodiny > het is uur

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!