TEST 38: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
alles - geboren - goede - groentensoep - hele - innemen - luchtpost - maar - ogenblik - oorlog - over - voor - week - werden - werk -

1. před týdnem > een geleden
2. Můj dědeček je starý, ale zdravý. > Mijn grootvader is oud gezond.
3. být zdravý > gezond zijn / in gezondheid verkeren
4. Zavolejte mi, prosím, taxi! > Kunt u mij een taxi bellen?
5. zbydou / přebydou dva > er zijn er twee
6. Kde jste se narodil? > Waar bent u ?
7. ve válce > in de
8. celé město > de stad
9. leteckou poštou > per
10. Chtěl bych zeleninovou polévku. > Ik wil graag .
11. Hned (to bude)! / Moment, prosím! > Een , alstublieft!
12. to je všechno > dat is / dat was het
13. Pokoje byly špatně uklizeny. > De kamers niet goed schoongemaakt.
14. Studuješ nebo pracuješ? > Studeer je of je?
15. vzít si své léky > zijn medicijn

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!