TEST 33: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Duitsland - ander - dressing - geleden - gelukt - koken - kwartaal - licht - reis - rust - stappen - uit - wachten - weggegaan - zelden -

1. čtvrt roku > een
2. někdo / kdokoli > iemand / de een of / wie dan ook
3. vaří dobře > ze kan goed
4. Jak je to dlouho? > Hoe lang is het ?
5. mapa Německa > de kaart van
6. Jdi vedle, ať mám trochu klidu. > Ga de kamer , zodat ik rust heb.
7. Nech mě na pokoji! > Laat me met !
8. Cesta byla velmi pohodlná. > De was erg prettig.
9. nezřídka > niet
10. Chtěl bych salát ochucený olejem a citronem. > Ik wil graag salade met een van olie en citroen.
11. rozednívá se > het wordt / de dag breekt aan
12. právě odešel > hij is net
13. Musíte počkat. > U moet even wachten. / U zult moeten .
14. zvládl jsem to > het is me
15. vystoupit z auta > uit de auto

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!