TEST 31: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Engels - Hoe - Waarom - bestellen - daar - doet - examen - geboorteplaats - geleden - heeft - kennen - maken - spreekt - wagen - werkelijkheid -

1. před nějakou dobou / před časem > enige tijd
2. místo a datum narození > en -datum
3. jít na procházku > een wandeling
4. být známý koho / znát koho > iemand
5. tady a tam > hier en
6. Najala si taxi. > Zij een taxi gehuurd.
7. Jak se jmenujete? > heet u?
8. parkovat svůj vůz / svoje auto > zijn auto parkeren / zijn parkeren
9. objednat pivo > een pilsje
10. je samozřejmé, že > het vanzelf dat / het is vanzelfsprekend dat
11. ve skutečnosti > in
12. Zkouška byla těžká. > Het was zwaar.
13. anglicky > in het
14. bolí mne hlava > mijn hoofd pijn
15. Proč? / Z jakého důvodu? > Om welke reden? / ?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!