TEST 29: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Hoe - dag - doen - doet - dokter - duidelijk - herstellen - jongere - niets - plaats - roepen - stad - televisie - vertellen - welke -

1. tři (teplá) jídla denně > drie maaltijden per
2. Můžete mi poradit, kde se nachází vyslanectví? > Kunt u mij , waar de ambassade is?
3. můj mladší bratr > mijn broer
4. jasná odpověď > een antwoord
5. Vede tato silnice (přímo) do města? > Leidt deze straat rechtstreeks naar de ?
6. vidět v televizi > op zien
7. to nepomůže > het heeft geen zin / het wordt / het wordt niks
8. volat o pomoc > om hulp
9. Kolik Vám je (let)? > oud bent u?
10. konečně něco udělat / učinit > uiteindelijk iets
11. Topení nefunguje. > De verwarming het niet.
12. Posaďte se! > Neemt u ! / Gaat u zitten!
13. Proč? / Z jakého důvodu? > Om reden? / Waarom?
14. Byl jsem objednán k lékaři. > Ik had een afspraak met de .
15. uzdravit se >

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!