TEST 26: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Pasen - aan - geen - heel - helder - helemaal - hotel - houden - kost - maken - manier - precies - veel - vraag - zou -

1. čistá voda > water
2. rád bych věděl > ik zou graag willen weten / ik me af
3. na začátku > in het begin / het begin
4. Jak? / Jakým způsobem? > Op wat voor manier? / Op welke ?
5. Zbytek je pro Vás. / Zbytek si nechte. > U mag het wisselgeld houden. / De rest mag u .
6. zcela sám > alleen
7. Je v tom(to) hotelu výtah? > Is er een lift in het ?
8. celá noc > de hele nacht / de nacht
9. nerozumí vtipu / nemá smysl pro humor > hij heeft gevoel voor humor
10. Veselé Velikonoce! > Vrolijk !
11. cestovat / vydat se na cestu / být na cestách > een reis / op reis gaan
12. Chtěl bych míchaný salát bez rajčat. > Ik graag een gemengde salade zonder tomaten willen.
13. to nestojí za moc > dat is niet waard
14. Kolik to stojí? > Wat dat? / Hoe duur is dat? / Hoeveel is het?
15. (přesně) ve 12 hodin > klokslag twaalf / klokslag twaalf uur / twaalf uur

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!