TEST 21: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Waar - bedank - bovenste - eens - kamer - kinderen - maken - pakt - stoppen - stuk - uittrekken - vakantie - veel - vroeg - ziens -

1. V horním patře. > Op de verdieping.
2. přijít příliš / moc brzo > te komen
3. Mám rezervovaný pokoj. > Ik heb een gereserveerd.
4. mít rodinu > hebben / een gezin hebben
5. mýdlo > een zeep
6. být na dovolené > op zijn
7. Na shledanou! Zatím ahoj! > Tot !
8. za to děkuji Vám > daarvoor ik U
9. Kde je tady (nejbližší) čerpací stanice / benzínová pumpa? > kan ik een benzinepomp vinden?
10. je zakázáno zastavit > het is verboden te
11. Vezměte si (to), prosím! > Vooruit, U even aan!
12. skládat hudbu / hrát > muziek
13. tolik, kolik jen bude možné > zo mogelijk
14. souhlasit > het zijn / akkoord gaan
15. zout si boty > zijn schoenen

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!