TEST 20: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
Rome - Waar - bezet - gouden - inkopen - kaart - klein - rechts - taxi - vijf - wandeling - wijn - zegt - zien - zoon -

1. Z letiště jsem jel taxíkem. > Ik heb een genomen vanaf de luchthaven.
2. říká se > men
3. jít na procházku > een maken
4. mapa Německa > de van Duitsland
5. taxi obsazeno > taxi
6. Kde je koupelna? > is de badkamer?
7. je půl páté > het is half
8. jet vpravo > rijden
9. Nevím, jestli má syna nebo dceru. > Ik weet niet of zij een of een dochter heeft.
10. levně nakupovat > goedkoop
11. Chcete / přejete si malé nebo velké pivo? > Wilt u een of een groot glas bier?
12. vidět v televizi > op televisie
13. sklenička vína > een glas
14. zlatý / ze zlata > / van goud
15. Pojedeme do Říma nebo do Paříže? > Zullen we naar of naar Parijs gaan?

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!