TEST 14: čeština - nizozemština

Drag the word to the blank!
altijd - bekend - boven - dan - doet - geen - hier - lekker - markt - men - stellen - taal - tevreden - uiteindelijk - verboden -

1. mě je špatně / zle > ik voel me beroerd / ziek / niet / niet goed
2. být spokojen s > zijn met
3. na trhu > op de
4. nad nulou / nad nulu > nul
5. Je mi líto, ale nemáme žádné volné pokoje. > Het spijt me, wij hebben kamer vrij.
6. je o dvacet let mladší než já > hij is twintig jaar jonger ik
7. to se nedělá > dat doet niet / dat doe je niet
8. Mohu zde (za)parkovat? > Mag ik parkeren?
9. bolí mne / mrzí mne > het me pijn
10. položit otázku > een vraag
11. konečně něco udělat / učinit > iets doen
12. francouzský jazyk / francouzština > de Franse
13. jsem zde cizí > ik ben hier niet
14. stále ještě / pořád ještě > nog
15. Vylepování (plakátů) zakázáno! > affiches te plakken

Copyright © 1997-2012 by Goethe-Verlag GmbH München, Germany
All rights reserved. See our LICENSE AGREEMENT
FREE for private use, public schools and for non-commercial purposes only!